Passend onderwijs

In september 2005 heeft de minister aan de Tweede Kamer een beleidsnotitie gestuurd met als titel: “Vernieuwing zorgstructuren in het funderend onderwijs”. Deze notitie betekende de start van de ontwikkeling van Passend Onderwijs en de herziening van de toen geldende structuren om zorg te bieden aan leerlingen in het primair en voortgezet onderwijs. Het uitgangspunt is dat het huidige stelsel voor onderwijsondersteuning niet houdbaar is. Het levert niet op wat er van is verwacht. Kinderen worden bestempeld als hulpbehoevend, er is meer bureaucratie en de geleverde zorg is niet altijd doelmatig. Vanaf 2003 is het aantal leerlingen met een indicatie toegenomen met 65%. In het PO is met 10% van de leerlingen ‘iets mis’ en in het VO is dat 20%.

Voor de nieuwe koers wil het kabinet twaalf punten doorvoeren. Hieronder staan de punten heel beknopt weergegeven.
A) Invoering zorgplicht voor schoolbesturen
1.    Schoolbesturen krijgen zorgplicht. Ouders die hun kind aanmelden bij een school krijgen een passend onderwijsaanbod bij deze school of bij een andere school. Bij het aanbod wordt rekening gehouden met de voorkeur van de ouders. Deze zorgplicht veronderstelt een niet vrijblijvende samenwerking tussen reguliere scholen en schoolbesturen en scholen en schoolbesturen uit de (V)SO-sector.
2.    Zorg wordt gebundeld in 2 typen samenwerkingsverbanden passend onderwijs, één voor po en so en één voor vo en vso. Voor onze regio betreft het de scholen in de gemeenten: De Bilt, Bunnik, Zeist, Wijk bij Duurstede en Utrechtse Heuvelrug. Dit nieuwe SWV Passend Onderwijs is vrijwel dekkend voor de huidige SWV-en De Bilt, Kromme Rijn en ZorgGebundeld.
3.    De huidige systematiek van de rugzak (Leerlinggebonden financiering) verdwijnt. In plaats daarvan komt een handelingsgerichte diagnostiek binnen samenwerkingsverbanden met flexibele inzet van middelen en voorzieningen. Zorgmiddelen worden toegekend aan de samenwerkingsverbanden en het (v)so. De scholen in een samenwerkingsverband die aantoonbaar verantwoord en kwalitatief op orde de meeste zorg verlenen, kunnen binnen hun samenwerkingsverband ook de meeste middelen krijgen.
4.    Er wordt een referentiekader opgesteld. Het referentiekader heeft betrekking op een aantal inhoudelijke onderwerpen, zoals wat de bandbreedte is voor onderwijszorg in een reguliere school, hoe handelingsgerichte diagnostiek kan worden vormgegeven etc. Sectororganisaties hebben verantwoordelijkheid genomen voor ontwikkeling van het referentiekader.
 
B) Ondersteuning voor leraren en ouders wordt versterkt
1.    Steun voor leraren door enerzijds het vergroten van deskundigheid (scholing, aandacht voor zorgleerlingen tijdens de lerarenopleiding). Daarnaast kan extra ondersteuning plaatsvinden in de klas en in de school (klassenassistenten, (intern) begeleiders, speciale klassen).
2.    Individuele ouders worden beter ondersteund in hun gesprek over het passend onderwijsaanbod en de keuzevrijheid die zij hebben. Daarnaast zijn ouders als collectief betrokken bij het vaststellen van het zorgprofiel.
C) (Voortgezet) speciaal onderwijs blijft bestaan, maar kwaliteit wordt sterk verbeterd

Speciaal onderwijs blijft nodig en wordt rechtstreeks gefinancierd. Kwaliteit in het (v)so moet sterk verbeterd worden.

D) Invoering budgetfinanciering
1.    De reguliere rugzakmiddelen gaan naar de samenwerkingsverbanden passend onderwijs. Ook een deel van het geld voor ambulante begeleiding gaat voortaan naar de samenwerkingsverbanden. Het speciaal onderwijs houdt een deel van het geld om expertise te delen met het regulier onderwijs.
2.    Het geld voor zorg in het onderwijs wordt gebudgetteerd op het niveau van de Rijksbegroting 2008 en er wordt 300 miljoen euro bezuinigd.
3.    Het geld voor de zorg wordt gelijkmatiger over het land verdeeld (verevend). De omvang van de verevening wordt bezien in samenhang met andere middelen voor zorg en achterstandenbestrijding.
4.    Inzet van zorgmiddelen moet transparanter worden. Scholen maken een ‘onderwijszorg profiel’, dat inzicht geeft in het totaal aan onderwijszorg en speciale voorzieningen in een school. Ook wordt er een verantwoordingsystematiek ontwikkeld waardoor meetbare resultaten inzichtelijk worden gemaakt.

E) Afstemming zorg
1.    Zorg in het onderwijs moet zo goed mogelijk afgestemd worden op jeugdgezondheidszorg, jeugdhulpverlening en maatschappelijk werk. Het Zorgadviesteam (ZAT) is het platform waarin wordt afgestemd. Hoe meer de zorg voor individuele leerlingen aan één tafel kan worden vastgesteld, hoe beter. Om de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulpverlening goed te regelen, is het wetsvoorstel zorg in en om de school ontwikkeld (betreft o.m. aanwijzen van verplichte partners uit de jeugdhulpverlening en zorg die, onder regie van de gemeente, verplicht moeten samenwerken in en om de school). 

Het SWV Passend Onderwijs werkt op basis van een Zorgplan. De bevoegde gezagsorganen in het swv maken afspraken over de wijze waarop voor alle leerlingen zo goed mogelijk Passend Onderwijs kan worden gerealiseerd. Deze afspraken moeten worden vastgelegd in het zorgplan. Het zorgplan moet worden besproken met de betrokken gemeenten en met de medezeggenschapsorganen. Het zorgplan wordt eens in de 4 jaar vastgesteld en voor 1 mei naar de inspectie gestuurd. In het zorgplan moet onder andere zijn opgenomen:

• de wijze waarop een samenhangend geheel aan zorgvoorzieningen binnen en tussen de scholen in het swv wordt gerealiseerd;

• de zorgprofielen van de scholen;

• de procedure en criteria voor toewijzing, verdeling en besteding van zorgmiddelen en zorgvoorzieningen;

• de procedure voor plaatsing van leerlingen in het (v)so;

• de manier waarop aan ouders informatie wordt verstrekt over de zorgvoorzieningen.

In het komend jaar zullen zowel het Ministerie als het SWV, schoolbesturen en scholen zelf verdere uitwerking geven aan het voorgenomen beleid. Op passende momenten zal hierover worden gepubliceerd en tot die tijd verwijzen wij u voor actuele informatie naar de website: www.passendonderwijs.nl.